Marktrisico ontstaat wanneer brede markt- en economische ontwikkelingen de waarde van beleggingen beïnvloeden. Rente, inflatie, valuta, volatiliteit en de volgorde van rendementen werken ieder via een ander mechanisme door.
Die factoren staan niet los van elkaar en hun effect is zelden één-op-één. Dezelfde renteverandering kan bijvoorbeeld heel anders uitpakken voor een kortlopende obligatie, een groeibedrijf, een bank of een vastgoedfonds. Risicobeheer begint daarom met begrijpen waar uw blootstelling zit, niet met raden welke macrovariabele morgen beweegt.
Ontdek welke dienstverlening en mogelijkheden u nodig hebt voordat u een broker kiest.
Bij vaste-couponobligaties is de relatie met marktrentes relatief direct. Stijgen vergelijkbare marktrentes, dan dalen bestaande obligatieprijzen doorgaans; bij dalende rentes gebeurt vaak het omgekeerde. De gevoeligheid hangt onder meer af van looptijd, coupon en duratie.
Bij aandelen en vastgoed loopt de invloed van rente via meerdere routes: financieringskosten, discontovoeten, winst- en groeiverwachtingen en de relatieve aantrekkelijkheid van alternatieven. Een renteverhoging betekent daarom niet dat iedere aandelen- of vastgoedprijs mechanisch moet dalen.
De verdieping vindt u bij Renterisico.
Inflatie is een brede stijging van prijzen. Als het algemene prijsniveau stijgt, koopt dezelfde euro minder. Daardoor kan een belegging nominaal winst tonen terwijl de koopkracht nauwelijks groeit of afneemt.
Niet iedere belegging reageert hetzelfde. Vaste nominale kasstromen hebben koopkrachtrisico, ondernemingen verschillen in prijszettingsmacht en kostenstructuur, en goud, grondstoffen of vastgoed bieden geen uniforme of gegarandeerde bescherming.
Meer hierover staat bij Inflatierisico.
Belegt u in activa met economische blootstelling aan een andere valuta, dan kan een wisselkoersbeweging uw uiteindelijke rendement in euro’s versterken of verzwakken.
Dat is niet automatisch een aparte ‘dubbele speculatie’. De werkelijke blootstelling hangt af van onderliggende kasstromen, activiteiten, noteringsvaluta en eventuele valutadekking.
De relevante vraag is welke valuta uiteindelijk in uw waarde en kasstromen doorwerken. Zie Valutarisico.
Volatiliteit beschrijft hoe sterk prijzen binnen een gekozen periode bewegen. Dat kan praktisch belangrijk zijn wanneer u op een ongunstig moment moet verkopen of wanneer zulke bewegingen niet passen bij uw draagkracht.
Maar volatiliteit is niet hetzelfde als permanent kapitaalverlies. Een marktprijs kan herstellen; bij faillissement of blijvende aantasting van kasstromen kan de schade een ander karakter hebben.
De VIX wordt vaak de ‘angstindex’ genoemd, maar technisch is het een op S&P 500-optieprijzen gebaseerde maatstaf voor de verwachte volatiliteit over ongeveer 30 dagen. Het is geen universele stressmeter en geen markttimingssignaal. Zie Volatiliteitsrisico.
Twee portefeuilles kunnen over een lange periode een vergelijkbaar gemiddeld rendement behalen en toch verschillend eindigen wanneer er tussentijds geld wordt onttrokken. Vooral negatieve rendementen vroeg in een opnamefase kunnen schadelijk zijn, omdat u dan uit een gedaalde portefeuille verkoopt.
De volgorde van rendementen is daardoor vooral belangrijk wanneer er cashflows uit de portefeuille gaan. Eén slechte beginperiode maakt een portefeuille niet per definitie onherstelbaar; opnamehoogte, herstel, flexibiliteit, samenstelling en horizon spelen allemaal mee.
De verdieping staat bij Volgorderisico.
Rente, inflatie, groei, valuta en liquiditeit beïnvloeden elkaar. Een hogere rente kan samengaan met sterke groei, maar ook met afkoeling. Inflatie kan voortkomen uit vraag, aanbod, energie, lonen of meerdere factoren tegelijk. Daardoor reageren markten niet in iedere episode hetzelfde.
Een portefeuille hoeft dus niet rond één voorspeld macro-scenario te worden gebouwd. Het is nuttiger om te onderzoeken welke risicobronnen domineren, hoe geconcentreerd ze zijn en wat er gebeurt wanneer meerdere ongunstige bewegingen tegelijk optreden.
Daarmee sluit marktrisico aan op Structureel Risicobeheer en Correlatie en Covariantie.
Centrale-bankbesluiten, inflatieschokken en valutabewegingen laten zich niet betrouwbaar in één mechanische routekaart vangen. U kunt wel bepalen hoeveel verlies u financieel kunt dragen, welke liquiditeit u nodig heeft en voor welke macrofactoren uw portefeuille gevoelig is.
Marktrisico is daarmee geen categorie die u volledig uitschakelt, maar een verzameling blootstellingen die u kunt herkennen, meten en binnen uw portefeuillekeuzes kunt begrenzen.
Een portefeuilleblootstelling kunt u ook zonder voorspelling concreet maken. Stel dat €100.000 voor 60% in aandelen en voor 40% in obligaties zit. Dalen de aandelen in één scenario 20% en de obligaties 5%, dan daalt de portefeuille, vóór kosten en andere kasstromen, met €14.000 of 14%. Deze uitkomst volgt uit de gewichten: 60% maal 20% plus 40% maal 5%. Dat is géén stresstest voor iedere economische crisis; in een ander renteregime kunnen aandelen en obligaties geheel anders samen bewegen.
Zo'n scenario helpt vooral om op voorhand te vragen welke verliesomvang nog past bij het doel van het geld, welke blootstellingen dezelfde schok delen en of een opname tijdens het verlies gedwongen verkoop zou betekenen. De afzonderlijke risicopagina's verklaren vervolgens via welk mechanisme die uitkomst kan ontstaan.