Kosten gaan af van wat u als belegger overhoudt. Toch is er geen aanbieder of product dat voor iedereen goedkoop is. Welke kosten zwaar wegen, hangt vooral af van hoe u belegt: hoe vaak u een order plaatst en hoe groot die orders zijn, in welke markten en valuta u handelt, of u zelf belegt of dat laat doen en hoe lang u bij dezelfde partij blijft. Een bruikbare vergelijking begint daarom bij de kostenlagen die voor uw eigen werkwijze gelden, in plaats van bij één opvallende tariefregel.
Ontdek welke dienstverlening en mogelijkheden u nodig hebt voordat u een broker kiest.
Een tarieflijst laat zien wat een aanbieder in rekening kan brengen. Wat u uiteindelijk betaalt, hangt af van die tarieven in combinatie met uw eigen gebruik. Een aanbieder kan bijvoorbeeld werken met een vast bedrag per order, een periodieke vergoeding, een percentage van uw vermogen of kosten voor valutaomrekening. Wie twee keer per jaar een grote order in een Europese ETF plaatst, krijgt daardoor een ander kostenbeeld dan wie elke week een klein bedrag in Amerikaanse aandelen belegt.
Aanbieders rangschikken op één kostenpost werkt daarom niet. Een vergelijking wordt pas bruikbaar als u eerst uw eigen werkwijze beschrijft en daarna nagaat welke kostenlagen daarbij horen.
Ook de tijd speelt mee. Kosten die elk jaar terugkomen, worden ingehouden op een vermogen dat in de tussentijd kan groeien, en een ingehouden euro levert zelf geen rendement meer op. Een verschil dat per jaar klein lijkt, telt over een lange periode dus op. Hoeveel dat scheelt, hangt af van de hoogte van de kosten, de beleggingsduur en het rendement, en dat rendement kent niemand vooraf.
Het belangrijkste onderscheid is dat tussen wat u betaalt aan de partij via wie u belegt en wat u betaalt voor het product zelf. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt deze twee lagen apart wanneer zij beleggingskosten beschrijft. Voor uw eigen vergelijking is die indeling een goed vertrekpunt.
Kosten van de beleggingsdienst betaalt u aan de broker, bank, vermogensbeheerder of adviseur. Volgens die indeling kan het gaan om transactiekosten, kosten voor bewaring en research, kosten voor advies of beheer en kosten bij beëindiging of overdracht van uw portefeuille. Productkosten horen bij het fonds, de ETF of het andere product waarin u belegt. Denk aan beheerkosten van het fonds, financieringskosten, transactiekosten binnen het fonds en in sommige gevallen een prestatievergoeding.
Deze indeling beschrijft categorieën. Iedere aanbieder brengt ze dus niet allemaal in rekening. Een aanbieder kan slechts een deel van deze posten rekenen, en welke posten van toepassing zijn, verschilt per dienst en product. Bij een losse aandelenpositie spelen geen fondskosten van een beleggingsfonds of ETF. Bij een fonds binnen een beheerde dienst kunnen kosten van de dienst en productkosten tegelijk van toepassing zijn.
| Laag | Voorbeelden van kostenposten | Waar het bedrag van afhangt |
|---|---|---|
| Dienst: transacties | Orderkosten, eventueel een opslag per beurs | Aantal orders, ordergrootte, markt |
| Dienst: rekening en bewaring | Abonnement, servicevergoeding, platform- of bewaarkosten | Looptijd, soms de omvang van uw vermogen |
| Dienst: advies of beheer | Advies- of beheervergoeding | Vorm van dienstverlening en de gekozen tariefstructuur |
| Dienst: vertrek | Beëindigings- of overdrachtskosten | Aantal posities, manier van vertrekken |
| Rond de order: valuta | Kosten van valutaomrekening | Hoe vaak en hoeveel u omwisselt |
| Product | Fondsbeheerkosten, interne transactie- en financieringskosten, eventuele prestatievergoeding | Gekozen product en de looptijd van uw belegging |
De twee lagen tellen bij elkaar op; de ene vervangt de andere niet. Een product met lage productkosten kan duur uitvallen als u het via een dure dienst aanhoudt. En een goedkope dienst maakt een product met hoge interne kosten niet goedkoop.
De AFM onderscheidt kosten van beleggingsdienstverlening en kosten van de belegging zelf. Daarmee kunt u de offerte van een bank, broker of vermogensbeheerder beter lezen: sommige kosten ontstaan aan de buitenkant van het fonds, andere zitten in het product en worden niet als aparte rekeningpost afgeschreven. Controleer daarom beide lagen in de voor uw situatie toepasselijke kostendocumentatie.
Naast de twee lagen is het verschil tussen vaste en variabele kosten belangrijk. Een vaste kostenpost is een bedrag dat niet meebeweegt met de omvang van de order of het vermogen, zoals een vast bedrag per order of per maand. Een variabele kostenpost is een percentage, bijvoorbeeld van het orderbedrag, van het omgewisselde bedrag of van het belegde vermogen.
Die twee soorten werken verschillend uit. Een vast bedrag per order weegt relatief zwaarder naarmate de order kleiner is: bij een order die tien keer zo klein is, is dezelfde vaste orderkost naar verhouding tien keer zo hoog. Een percentage blijft naar verhouding gelijk, terwijl het bedrag in euro's meegroeit met de order of het vermogen. Een vaste periodieke vergoeding drukt relatief zwaar op een klein vermogen en wordt bij een groter vermogen naar verhouding lichter. Bij een percentage van het vermogen is dat precies andersom.
Voor uw vergelijking betekent dit dat u tarieven pas naast elkaar kunt leggen als u weet over welke bedragen u het hebt. Rekenen met uw eigen gebruikelijke ordergrootte en uw eigen vermogen zegt meer dan een tarief op zich.
Hoe vaak u een order plaatst en hoe groot die orders zijn, bepaalt hoe zwaar transactiekosten wegen. Wie maandelijks inlegt, plaatst over een jaar veel meer orders dan wie één keer per jaar inlegt, ook bij hetzelfde totaalbedrag. Herbalanceren, dus de verdeling van uw portefeuille terugbrengen naar de gewenste mix, levert ook orders op. Hoe vaak u belegt, is een keuze die bij uw situatie hoort, bijvoorbeeld omdat u elke maand geld overhoudt. Zo min mogelijk orders plaatsen is dan ook geen doel op zich; het gaat erom dat u weet welk kostenmodel bij uw ritme past. Wie periodiek belegt, leest meer over hoe dat werkt bij periodiek beleggen.
Aanbieders rekenen niet altijd hetzelfde tarief voor elke beurs of elk producttype. Een order op een buitenlandse beurs kan anders geprijsd zijn dan een order op een Europese beurs, en voor fondsen gelden soms andere tarieven dan voor aandelen of ETF's. Voor u tellen dus de transactiekosten op de markten en voor de producten die u daadwerkelijk gebruikt.
Belegt u in een product dat in een andere munt wordt afgerekend dan de valuta op uw rekening, dan kan valutaomrekening nodig zijn. Een aanbieder kan daarvoor een expliciete vergoeding rekenen, een opslag in de wisselkoers verwerken of beide. Verkoopt u later en wordt het bedrag opnieuw omgewisseld, dan kan deze kostenlaag nog een keer terugkomen. Deze kosten staan niet altijd bij de orderkosten vermeld. Is voor uw transacties geen valutaomrekening nodig, dan kan deze kostenlaag klein of afwezig zijn. Bij regelmatige omzettingen kan zij juist materieel worden.
Een aanbieder kan een periodieke vergoeding rekenen, bijvoorbeeld voor een abonnement, service, platform of bewaring. Dat kan een vast bedrag zijn of een vergoeding die op een andere grondslag wordt berekend. Aan zo'n tariefstructuur kunnen andere kenmerken van de dienst vastzitten, zoals ordertarieven, functies, research of service. Of het totale kostenbeeld gunstig uitvalt, hangt af van uw gebruik en van de overige kostenlagen. Een periodieke vergoeding kunt u daarom niet los van de rest beoordelen.
Bij fondsen en ETF's kunnen lopende productkosten binnen het product worden verwerkt. U ziet ze dan niet als losse afschrijving op uw rekening, maar ze verlagen wel het nettoresultaat van het product. Er kunnen ook andere productkosten spelen, zoals transactiekosten binnen het fonds of, waar van toepassing, een prestatievergoeding. Kosten die gedurende de hele periode dat u het product aanhoudt terugkomen, tellen bij een langere looptijd steeds verder op.
Bij beleggingsadvies of vermogensbeheer kan een vergoeding voor de dienst gelden, bovenop de productkosten van de beleggingen. Bij advies blijft de uiteindelijke beleggingsbeslissing bij u. Bij vermogensbeheer kan de beheerder binnen het afgesproken mandaat beslissingen nemen. Voor een kostenvergelijking telt daarom de volledige route: de kosten van de dienst én de kosten van de producten die daarin worden gebruikt. Zet u die route naast zelf beleggen, vergelijk dan ook dezelfde reikwijdte van dienstverlening en neem de kostenlagen mee die bij uw eigen uitvoering horen.
Kosten kunnen ook ontstaan wanneer u een dienst beëindigt of effecten naar een andere partij wilt overboeken. Een aanbieder kan daarvoor beëindigings- of overdrachtskosten rekenen. Blijkt een positie of rekening niet overdraagbaar, dan kan afhankelijk van de route verkoop nodig zijn, waardoor ook transactie- en eventueel valutakosten kunnen spelen. Deze kostenlaag hoort dus bij het volledige kostenbeeld van een mogelijke overstap. Hoe zo'n overdracht werkt en waar compatibiliteitsproblemen kunnen ontstaan, behandelen we op de pagina over portefeuilleoverdracht.
De scenario's hieronder laten zien hoe hetzelfde kostenmodel voor verschillende beleggers anders uitpakt. Ze bevatten bewust geen tarieven of namen van aanbieders, omdat tarieven veranderen. Ze zijn bedoeld om het mechanisme te laten zien en zijn geen aanbeveling.
Twee beleggers leggen per jaar hetzelfde bedrag in. De een doet dat in een paar grote orders, de ander in veel kleine. Bij een aanbieder met een vast bedrag per order betaalt de tweede belegger naar verhouding veel meer, want elke kleine order draagt dezelfde vaste kost. Bij een aanbieder die een percentage van het orderbedrag rekent, verdwijnt dat verschil grotendeels. Rekent een aanbieder voor bepaalde periodieke inleg of bepaalde producten een lager of geen ordertarief, dan kan de verhouding weer omslaan. De aanbieder die voor de ene belegger gunstig uitvalt, hoeft dat voor de andere dus niet te zijn.
Worden transacties volledig in euro's afgerekend zonder valutaomrekening, dan kan de valutalaag klein of afwezig zijn en wegen andere kostenposten relatief zwaarder. Moet voor transacties regelmatig valuta worden omgewisseld, dan kan juist die kostenlaag belangrijk worden. Hetzelfde tariefmodel kan voor deze twee werkwijzen dus verschillend uitpakken, ook als de orderkosten gelijk zijn.
Bij zelf beleggen, ook wel execution-only genoemd, neemt u de beleggingsbeslissingen zelf en gebruikt u de aanbieder voor de uitvoering en administratie. Daarbij kunnen onder meer transactie-, valuta-, rekening- en productkosten spelen. Bij persoonlijk advies blijft de uiteindelijke beslissing ook bij u, maar betaalt u mogelijk voor de adviesdienst. Bij vermogensbeheer kan de beheerder binnen een afgesproken mandaat beslissingen overnemen, en daarvoor kan een beheervergoeding gelden. U vergelijkt hier dus verschillende vormen van dienstverlening met elkaar, en daarmee meer dan alleen een hoger of lager bedrag.
Wie niet overstapt, krijgt niet met een daadwerkelijke portefeuilleoverdracht te maken. Wie wel van aanbieder wisselt, kan afhankelijk van de route te maken krijgen met beëindigings-, overdrachts-, transactie- en valutakosten. Een verschil in lopende tarieven kan daardoor kleiner worden zodra u de kosten van de overstap meerekent. Behandel tijdelijke acties of tarieven daarbij als tijdelijke voorwaarden en niet als blijvend kenmerk van de kosten.
Een opvallend laag tarief voor één kostenpost vertelt u nog weinig over het geheel. Een vermelding als "€0 commissie" gaat alleen over de specifiek genoemde commissie en zegt niet automatisch iets over alle kosten rond de transactie of rekening. Over valutakosten, periodieke kosten, de reikwijdte van het tarief of kosten bij vertrek zegt zo'n vermelding bijvoorbeeld niets. Een lage TER (total expense ratio, het lopende kostenpercentage van een fonds of ETF) gaat over de productlaag, maar niet over de kosten van de dienst waarmee u dat product koopt en aanhoudt. Ook lage transactiekosten bekijkt u daarom samen met de andere kostenlagen die voor u relevant zijn. Welke route goedkoop is, ziet u pas als u alle lagen die bij uw werkwijze horen bij elkaar optelt.
U hoeft de totale kosten niet tot op de euro nauwkeurig te voorspellen. Met een redelijke schatting per scenario kunt u aanbieders en producten al eerlijk naast elkaar zetten. Deze volgorde helpt daarbij.
Twijfelt u tussen twee werkwijzen, bijvoorbeeld maandelijks of per kwartaal inleggen? Reken ze dan allebei apart door. Zo ziet u welke kostenlaag verschuift en hoeveel dat in uw situatie scheelt.
Met lagere kosten houdt u meer over, maar alleen als de rest gelijk is: hetzelfde product, dezelfde risico's, dezelfde dienstverlening en dezelfde bescherming. Zodra die factoren verschillen, is de goedkoopste route niet vanzelf de beste. Een duurder product kan een andere spreiding of een ander risico hebben, en een dienst met een vergoeding kan werk overnemen dat u anders zelf moet doen. Over het toekomstige rendement van een belegging zeggen lagere kosten ook niets. Dat rendement blijft onzeker, welke kosten u ook betaalt.
Gebruik kosten daarom als een van de relevante punten om op te vergelijken en niet als enig selectiecriterium. Ook belastingen kunnen invloed hebben op uw nettoresultaat, maar die vallen buiten deze kostenvergelijking.
Weet u welke kostenlagen bij uw eigen werkwijze horen, dan kunt u aanbieders gericht naast elkaar leggen in de brokervergelijker. Kijk daar steeds naar de kostenposten die voor uw scenario tellen en niet naar het laagste tarief op één regel.