Maximum drawdown (MDD) beschrijft de diepste historische daling van een belegging of portefeuille binnen een gekozen meetperiode. De berekening loopt van een eerdere piek naar het daaropvolgende dal en drukt dat verlies uit als percentage van de piekwaarde. Daarmee krijgt u een concreet beeld van een verlies dat werkelijk in de gemeten geschiedenis voorkwam.
Dat historische karakter is belangrijk. Een MDD is geen grens waar een toekomstig verlies onder blijft en ook geen voorspelling van een volgende crisis. De maatstaf wordt vooral nuttig wanneer u hem naast rendement en hersteltijd legt: hoeveel ging er onderweg verloren en hoe lang duurde het voordat de eerdere piek weer in beeld kwam?
Ontdek welke dienstverlening en mogelijkheden u nodig hebt voordat u een broker kiest.
U volgt de waarde vanaf iedere historische piek en kijkt hoe ver zij daarna daalt voordat een nieuwe piek wordt bereikt. De grootste van die piek-tot-daldalingen is de maximum drawdown.
Stel dat een portefeuille stijgt naar €10.000 en daarna daalt naar €9.000. De drawdown vanaf die piek is 10%. Daalt de waarde verder naar €8.000 voordat een nieuwe piek wordt bereikt, dan is de drawdown vanaf €10.000 op dat moment 20%.
De meetbasis doet ertoe. Periode, meetfrequentie, valuta en de keuze tussen koersrendement of totaalrendement inclusief uitkeringen kunnen de uitkomst veranderen. Een korte en een lange geschiedenis kunnen daarom niet zomaar naast elkaar worden gelegd alsof ze hetzelfde hebben gemeten.
Drawdown maakt ook een eenvoudige maar belangrijke rekenregel zichtbaar: na een procentueel verlies is een hoger stijgingspercentage nodig om vanaf de lagere basis terug te keren naar het beginpunt.
Daalt €10.000 met 10% naar €9.000, dan is €1.000 verloren. Vanaf €9.000 is ongeveer 11,1% stijging nodig om weer op €10.000 uit te komen.
Bij een daling van 50% resteert €5.000. Om daarna terug te keren naar €10.000 is een stijging van 100% nodig.
Bij een daling van 75% resteert een kwart van de oorspronkelijke waarde. Vanaf dat lagere niveau is 300% stijging nodig om de eerdere waarde weer te bereiken.
Dit zijn rekenkundige verhoudingen, geen voorspellingen over de duur van het herstel. Een groot vereist herstelpercentage kan snel of langzaam worden gerealiseerd, of helemaal niet binnen de gekozen periode. Dat hangt af van de rendementen die daarna volgen en van de manier waarop cashflows worden verwerkt.
Vergelijk daarom een koersindex, een total-returnreeks met herbelegde uitkeringen en uw eigen rekeningverloop niet alsof ze dezelfde herstelperiode tonen. Noteer de meetmethode, start- en einddatum en eventuele toevoegingen of onttrekkingen. Een historische maximale drawdown is op zichzelf geen betrouwbare voorspelling voor de eerstvolgende crisis.
Recovery time voegt tijd toe aan de verliesmeting. Spreek daarbij af welke definitie u gebruikt. U kunt de periode meten vanaf het dal tot het moment waarop de eerdere piek weer is bereikt. Een bredere ‘underwater period’ begint al bij de oorspronkelijke piek en eindigt pas bij volledig herstel.
Die definities leveren verschillende uitkomsten op. Ook periodieke inleg, onttrekkingen en dividenduitkeringen kunnen de gemeten hersteltijd beïnvloeden. Wie hersteldata vergelijkt, moet dus eerst controleren of dezelfde rendementsreeks en dezelfde definitie zijn gebruikt.
Hersteltijd hangt bovendien af van wat u precies meet. De koers van één fonds kan op de oude piek terugkomen, terwijl een belegger die tijdens de daling geld heeft opgenomen die uitkomst niet één op één in zijn eigen vermogen terugziet. Extra stortingen kunnen de rekeningwaarde sneller doen herstellen zonder dat de onderliggende belegging terug op de vorige koers is.
De duur kan praktisch belangrijk zijn. Geld dat u op een relatief korte termijn nodig heeft, laat minder ruimte voor een langdurige daling. Een lange periode onder een eerdere piek kan bovendien uw discipline op de proef stellen. Daarom sluit deze maatstaf aan op risicotolerantie en risicocapaciteit, zonder die persoonlijke afweging te vervangen.
MDD vat één historisch verliespad samen. Het getal vertelt niet hoe waarschijnlijk een vergelijkbare daling later is, of er krediet-, liquiditeits- of tegenpartijrisico speelt, hoe snel het verlies ontstond, hoeveel kleinere drawdowns voorkwamen, hoe eenvoudig verkoop onderweg was of hoe groot een toekomstig verlies maximaal kan worden.
Een rustige historische MDD kan dus naast andere materiële risico’s bestaan. Een zware historische MDD vertelt op zijn beurt niet hoe de belegging daarna presteerde. Zie de maatstaf daarom als één onderdeel van een bredere analyse. Bij Wat is risico? staan verschillende risicomaatstaven en risicobronnen naast elkaar.
Controleer vóór een vergelijking of de datasets voldoende op elkaar lijken. Let op de meetperiode, valuta, meetfrequentie, koersrendement versus totaalrendement, product- of portefeuilleniveau en de behandeling van inleg en onttrekkingen.
Dat voorkomt een veelvoorkomende misinterpretatie. Een jong product kan toevallig alleen een rustig marktregime hebben meegemaakt, terwijl een langer bestaande belegging meerdere crises in de historische reeks bevat. Het verschil in MDD weerspiegelt dan ook een verschil in beschikbare geschiedenis.
Een historische drawdown kan u helpen terug te kijken naar eerdere stress: waar kwam het verlies vandaan en zou zo’n verlies praktisch te dragen zijn binnen uw horizon en financiële situatie? Mogelijke oorzaken zijn brede marktblootstelling, concentratie, hefboom, liquiditeit of een combinatie daarvan.
Daaruit volgt geen automatische oplossing. Een stop-loss kan tegen een andere prijs worden uitgevoerd dan de stopprijs en neemt het marktrisico niet weg. Ook spreiding en assetallocatie sluiten verliezen niet uit.
De structurele kant van die analyse komt samen in Structureel Risicobeheer, waar assetallocatie, diversificatie, correlatie, concentratie en herbalanceren als afzonderlijke onderdelen van één portefeuille worden behandeld.