Een koersgrafiek laat zien hoe beleggers in het verleden op nieuws, verwachtingen en vraag en aanbod hebben gereageerd. Met technische analyse probeert u daarin trends, belangrijke prijszones en veranderende bewegingen te herkennen. Maar hoe ziet u het verschil tussen een bruikbaar signaal en een toevallig patroon?
U leert hier de belangrijkste grafieken en indicatoren lezen, inclusief de grenzen ervan. Wilt u van zulke signalen een volledige handelsmethode maken, dan hoort daar een aparte uitleg bij over technische analyse en momentum.
Bekijk de geselecteerde aanbieders of onderzoek welke dienstverlening en functies u nodig hebt.
De keuzehulp helpt u uw uitvoeringswensen te ordenen.
Fundamentele analyse vertrekt vanuit het bedrijf, de financiële positie en waarderingsaannames. Technische analyse begint bij wat in de marktprijs en het handelsgedrag zichtbaar is.
Veelgebruikte gegevens zijn:
Uit die gegevens worden grafieken, indicatoren en regels afgeleid. De uitkomst hangt daardoor altijd af van onder meer de gekozen periode, parameterinstellingen, markt en tijdshorizon.
Voor de interpretatie maakt het veel uit welke koersgegevens u gebruikt. Een daggrafiek laat andere schommelingen zien dan een grafiek per minuut. Bij aandelen kunnen dividenduitkeringen en splitsingen voor koerssprongen zorgen die niet hetzelfde zijn als winst of verlies op een belegging. Controleer dus of historische prijzen voor zulke gebeurtenissen zijn gecorrigeerd.
Ook het instrument telt mee. Een illiquide aandeel kan op een dag nauwelijks handelen. Een lange horizontale lijn in de grafiek zegt dan mogelijk meer over het ontbreken van transacties dan over een stabiele waardering. Kijk daarom altijd naar koers, periode én verhandelbaarheid voordat u uit een patroon conclusies trekt.
Voorbeeld: hetzelfde aandeel, twee tijdshorizonnen. Stel dat een aandeel over twaalf maanden is gestegen van € 40 naar € 50, maar de laatste weken van € 55 is teruggevallen. Een belegger die maandkoersen bekijkt, ziet nog steeds een stijging ten opzichte van een jaar geleden. Iemand die dagkoersen vergelijkt, ziet vooral een recente daling. Beide observaties kunnen waar zijn. Het gekozen tijdsvenster bepaalt welke beweging een indicator benadrukt.
Een trend beschrijft de richting waarin een prijs over een gekozen periode beweegt. Vaak wordt onderscheid gemaakt tussen een opwaartse, neerwaartse en zijwaartse trend.
Een trendlijn is een visuele of regelgebonden manier om zo'n beweging samen te vatten. Verander de periode of het startpunt en het beeld kan veranderen. “De trend is omhoog” is daarom geen losstaand feit; het is een uitspraak binnen een gekozen tijdsvenster en methode.
Technische analisten markeren vaak prijszones waar eerder veel koop- of verkoopactiviteit zichtbaar was. Die zones worden meestal steun en weerstand genoemd.
Zo'n niveau is geen harde vloer of hard plafond. Een prijs kan erdoorheen bewegen, tijdelijk doorbreken en terugkeren, of in een andere marktomgeving helemaal niet meer reageren zoals eerder.
De praktische functie is vooral dat u vooraf een observeerbaar niveau vastlegt waarop uw interpretatie of handelsregel kan veranderen.
Volume geeft aan hoeveel eenheden of contracten in een bepaalde periode zijn verhandeld. Technische analisten gebruiken volume soms om te beoordelen of een prijsbeweging breed wordt ondersteund door handelsactiviteit.
Liquiditeit gaat over hoe gemakkelijk u daadwerkelijk kunt handelen zonder de prijs sterk te beïnvloeden. Hoog historisch volume is geen garantie dat u op een toekomstig moment tegen de gewenste prijs kunt in- of uitstappen.
U kunt daarom het beste eerst vaststellen voor welke termijn een signaal bedoeld is. Een aanwijzing op een kortetermijngrafiek past niet vanzelf bij iemand die een positie voor meerdere jaren wil aanhouden.
Een voortschrijdend gemiddelde vat een reeks historische prijzen samen. Een SMA geeft iedere observatie in het gekozen venster hetzelfde gewicht. Een EMA geeft recente waarnemingen meer gewicht en reageert daardoor doorgaans sneller op nieuwe prijsinformatie.
Een kruising tussen gemiddelden kan als signaalregel worden gebruikt, maar de gekozen perioden zijn onderdeel van de methode. Een korter gemiddelde reageert sneller en kan daardoor ook vaker van richting veranderen. Een langer gemiddelde reageert trager.
De Relative Strength Index (RSI) is een momentumindicator op een schaal van 0 tot 100. In de klassieke interpretatie worden waarden boven 70 vaak als overbought en waarden onder 30 als oversold aangeduid.
Die 70/30-grenzen zijn methodeconventies. Ze betekenen niet dat een effect boven 70 “te duur” is of direct moet dalen, en evenmin dat een waarde onder 30 automatisch een koopmoment vormt. In een sterke trend kan de indicator langere tijd in een extreem gebied blijven.
De stochastische oscillator vergelijkt de huidige prijs met het prijsbereik over een gekozen periode en loopt eveneens van 0 tot 100. Vaak worden 80 en 20 gebruikt als conventionele grenzen voor hoge en lage momentumstanden.
Ook 80/20 is een analysemethode, geen universele handelsregel. Andere instellingen, perioden of markten kunnen tot een andere interpretatie leiden.
Bollinger Bands bestaan conventioneel uit een voortschrijdend gemiddelde met banden op ongeveer twee standaarddeviaties erboven en eronder.
De afstand tussen de banden verandert mee met de gemeten volatiliteit. Smallere banden wijzen binnen deze methode op lagere recente volatiliteit; bredere banden op hogere recente volatiliteit. Dat vertelt op zichzelf niet in welke richting de volgende koersbeweging gaat.
Een klassieke MACD-instelling vergelijkt een 12-periode EMA met een 26-periode EMA. Daarvan wordt vaak een 9-periode signaallijn afgeleid.
De bekende 12/26/9-instelling is een methodeconventie. Een kruising of beweging rond de nullijn kan deel zijn van een handelsregel, maar de betekenis hangt af van tijdschaal, markt en de rest van de methode.
Namen als hoofd-en-schouders, dubbele top of bodem, driehoek, vlag en wimpel geven een herkenbare vorm aan een koersverloop.
Zo'n herkenbare vorm is nog geen objectieve voorspelling. Twee analisten kunnen hetzelfde patroon anders afbakenen, en een patroon kan mislukken. Wie patronen gebruikt, heeft daarom vooraf regels nodig voor herkenning, bevestiging, uitvoering en het moment waarop het patroon ongeldig wordt.
Stel dat u een aandeel op € 50 overweegt omdat de koers door een eerder weerstandsniveau breekt. U bepaalt vooraf dat uw handelsidee niet meer geldt onder € 48. Dat verschil is € 2 per aandeel. Wilt u in dit fictieve scenario niet meer dan € 100 verliezen door de gekozen uitstapregel, dan komt u rekenkundig uit op maximaal 50 aandelen (50 × € 2). Met 100 aandelen zou hetzelfde verschil € 200 bedragen.
Dat is geen garantie dat u het verlies op € 100 kunt begrenzen. Bij een koerssprong omlaag, weinig liquiditeit of vertraagde uitvoering kan de verkoopprijs onder € 48 liggen. Commissies en spreads verhogen de kosten. Het voorbeeld laat vooral zien waarom een herkenbaar koerspatroon nog niet zegt hoeveel risico u feitelijk neemt.
Driehoeken, dubbele bodems en andere bekende patronen beschrijven hoe koersen zich hebben bewogen. Achteraf kunt u bijna altijd een passende vorm aanwijzen. Bedenk daarom vóór een mogelijke transactie wat vooraf als signaal zou tellen, welke data u gebruikt en hoe vaak die regel bij andere perioden of markten bruikbaar bleek. Zonder die toets is een aantrekkelijk patroon vooral een verhaal over het verleden.
Zelfs wanneer een signaal exact volgens uw methode ontstaat, is de transactie nog niet automatisch uitgevoerd tegen de koers in de grafiek. Spread, liquiditeit, handelsuren, ordertype, slippage en eventuele vertraging kunnen het resultaat beïnvloeden.
Een stoporder kan bijvoorbeeld helpen om een vooraf gekozen uitvoeringsregel te automatiseren, maar garandeert niet dat u bij een snelle marktbeweging exact op de stopprijs uitstapt.
Voor die uitvoeringslaag leest u Ordertypes en handelsopties.
Sommige beleggers gebruiken fundamentele analyse voor de vraag wat zij willen onderzoeken en technische regels voor wanneer zij een positie openen of opnieuw beoordelen. Anderen gebruiken één van beide methoden of helemaal geen actieve selectie.
U hoeft beide methoden dus niet te combineren. De relevante vraag is of de gekozen informatie en regels passen bij uw eigen beleggingsproces en of u begrijpt welke aannames u daarmee maakt.
Wilt u eerst de andere analysekant begrijpen, lees dan Fundamentele analyse.
Technische analyse is gebaseerd op drie basisprincipes: 1) de markt verdisconteert alles, 2) prijzen bewegen in trends, en 3) geschiedenis herhaalt zichzelf. Het is een methode om beleggingsmogelijkheden te identificeren door het analyseren van prijstrends en -patronen met behulp van grafieken.
Technische indicatoren kunnen worden gebruikt om signalen te genereren voor het kopen of verkopen van effecten, het identificeren van trendomkeringen, en het beoordelen van de relatieve sterkte van een effect. Enkele veelgebruikte technische indicatoren zijn voortschrijdende gemiddelden, relatieve sterkte-index (RSI) en MACD.
Belangrijke grafiekpatronen in technische analyse zijn onder andere hoofd en schouders, dubbele top en dubbele bodem, driehoeken, vlaggen en wimpels.
Candlestick patronen kunnen worden gebruikt om trends en omkeerpunten in de markt te identificeren. Enkele veelvoorkomende candlestick patronen zijn doji, engulfing, harami en morning star.
Enkele handelsstrategieën op basis van technische analyse zijn trendvolgende strategieën, momentumstrategieën, mean reversion-strategieën en breakout-strategieën.
Bij het toepassen van risicomanagement in technische analyse kunt u gebruikmaken van stop-loss orders, het bepalen van de positiegrootte en het in acht nemen van de risico-rendementsverhouding.
Enkele populaire technische analyse software en hulpmiddelen onder Nederlandse beleggers zijn TradingView, MetaTrader 4 en 5, en ProRealTime.