Een obligatie is eigenlijk een lening. Wanneer u een obligatie koopt, leent u geld uit aan de uitgever van de obligatie (bijvoorbeeld een overheid of een bedrijf). In ruil daarvoor ontvangt u rente (ook wel couponrente genoemd) gedurende de looptijd van de obligatie, en aan het einde van de looptijd krijgt u de hoofdsom (het geleende bedrag) terug. Obligaties worden ook wel schuldpapier genoemd: u bent geen mede-eigenaar zoals bij aandelen, maar schuldeiser. Omdat u voorrang heeft op aandeelhouders bij eventuele faillissementen (eerst moeten leningen worden terugbetaald), gelden obligaties als veiliger dan aandelen.
Er zijn verschillende soorten obligaties. De twee hoofdcategorieën zijn staatsobligaties (uitgegeven door overheden) en bedrijfsobligaties (uitgegeven door ondernemingen). Staatsobligaties – vooral van financieel gezonde landen – worden gezien als zeer kredietwaardig en hebben doorgaans een laag risico. Denk aan Nederlandse of Duitse staatsleningen: de kans dat deze overheden niet terugbetalen is extreem klein, daardoor is de rentevergoeding ook relatief laag. Bedrijfsobligaties hebben over het algemeen een iets hoger risico: als een bedrijf in financiële problemen komt, bestaat er een kans (hoe klein ook) op wanbetaling van rente of aflossing. Om beleggers te compenseren voor dat extra risico, bieden bedrijfsobligaties vaak een hogere couponrente dan staatsleningen. Binnen bedrijfsobligaties is er veel variatie: obligaties van een topbedrijf met AA-rating zijn vrij veilig, terwijl high yield-obligaties (ook wel “junk bonds”) van financieel zwakkere bedrijven een hoge rente bieden maar een significant risico op niet terugbetalen hebben. Overheden kunnen overigens ook risicovoller zijn – leningen van opkomende landen of landen met schuldenproblematiek geven ook hogere rente. In het algemeen geldt: hoe lager de kredietwaardigheid van de uitgever, hoe hoger de rente die men moet bieden om investeerders aan te trekken (als compensatie voor het risico).
Obligaties worden vaak gezien als stabielere beleggingen met lager risico dan aandelen. Maar ook hier zijn er aandachtspunten. De belangrijkste risico’s bij obligaties zijn:
Kredietrisico: de kans dat de uitgever niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen (faillissement of wanbetaling). Dit risico is klein bij investment-grade obligaties (van betrouwbare staten of bedrijven), maar groter bij high yield-obligaties.
Renterisico: de waarde van bestaande obligaties daalt als de marktrente stijgt, en stijgt als de marktrente daalt. Dit komt omdat nieuwe obligaties dan tegen een hogere (of lagere) rente worden uitgegeven, waardoor oudere leningen met een lagere (of hogere) coupon minder (of meer) aantrekkelijk worden. Obligaties met een lange looptijd zijn gevoeliger voor renteveranderingen dan kortlopende obligaties.
Inflatierisico: als de inflatie oploopt, wordt de vaste rente die u ontvangt in feite minder waard in termen van koopkracht. Lange tijd van hoge inflatie kan het reële rendement van een obligatie uithollen, tenzij de rentevergoeding erg hoog is of inflatie-geïndexeerd.
Het verwachte rendement van obligaties is doorgaans lager dan dat van aandelen. Over langere perioden ligt het gemiddelde obligatierenderendement meestal een stuk lager dan aandelenrendement, maar daar staat tegenover dat obligaties in veel scenario’s rust in de portefeuille brengen. Hoe hoger het risico van de obligatie, hoe hoger het mogelijke rendement: zo hebben staatsobligaties van sterke landen vaak een vrij lage coupon (soms slechts enkele procenten of minder), terwijl risicovollere obligaties (zoals bedrijfsobligaties met lagere kredietrating) misschien wel 5-8% rente bieden. U moet dan zelf inschatten of die extra rente opweegt tegen het extra risico.
Obligaties passen goed bij beleggers die behoefte hebben aan stabiliteit of inkomenszekerheid. Bijvoorbeeld als u uw geld over enkele jaren nodig heeft (studie van uw kind, woning kopen) en daarom niet het risico kunt lopen dat de beurs net dan halveert. Ook voor wie al een groot vermogen heeft en dat wil beschermen (kapitaalbehoud) kunnen obligaties verstandig zijn – ze zorgen ervoor dat niet ál uw vermogen mee-ademt op het ritme van de aandelenmarkt. Vaak zie je dat naarmate mensen ouder worden of dichter bij hun financiële doel komen (bijvoorbeeld pensioen), ze een groter deel in obligaties beleggen en wat afbouwen in aandelen. Dit beperkt de impact van een eventuele beurscrash kort voor de einddatum. Daarnaast kunnen obligaties interessant zijn wanneer de rente relatief hoog is; u legt dan een mooie coupon vast. In periodes dat spaarrentes laag zijn en aandelen duur, kunnen obligaties een middenweg bieden met beperkt risico en toch enig rendement.
Een gebalanceerde portefeuille bevat vaak zowel aandelen als obligaties, juist vanwege hun complementaire eigenschappen. Obligaties reageren vaak anders op economische ontwikkelingen dan aandelen. Zo kan het gebeuren dat bij een beursdaling (wanneer aandelen onderuit gaan door bv. economische angst) beleggers vluchten in veilige staatsobligaties, waardoor die in waarde stijgen – dit dempt het verlies in uw totale portefeuille. Obligaties bieden dus stabiliteit en bescherming tegen marktvolatiliteit. De exacte mix hangt af van uw persoonlijke risicovoorkeur (zie ook assetallocatie in 4.1). Iemand met een defensief profiel kan bijvoorbeeld 70% obligaties en 30% aandelen aanhouden; een offensieve jongere misschien slechts 10% obligaties en 90% aandelen. Het gaat erom dat obligaties de uitslagen van aandelen afvlakken. Wanneer aandelen jaren van enorme groei doormaken, zal uw portefeuille met veel obligaties wat achterblijven in rendement, maar in slechte beursjaren voorkomen die obligaties mogelijk grote verliezen. Zo zorgt u voor een soepeler rit door verschillende marktomstandigheden. Kortom, obligaties voegen voorspelbaarheid toe aan uw beleggingen en helpen uw totale risico te beheersen.