Renterisico is het risico dat veranderingen in marktrentes de waarde, kasstromen of financieringsvoorwaarden van een belegging beïnvloeden. Bij vastrentende obligaties is dat verband relatief direct. Bij aandelen, vastgoed en andere activa loopt het effect via meerdere kanalen en is de uitkomst minder mechanisch.
Centrale banken beïnvloeden via hun beleidsinstrumenten vooral de zeer korte marktrentes. Verwachtingen, inflatie, kredietrisico, looptijd en vraag en aanbod bepalen mede hoe die impuls doorwerkt naar langere rentes en activaprijzen.
Ontdek welke dienstverlening en mogelijkheden u nodig hebt voordat u een broker kiest.
Een bestaande obligatie met een vaste coupon wordt relatief minder aantrekkelijk wanneer vergelijkbare nieuwe obligaties tegen een hogere marktrente worden uitgegeven. De marktprijs van de bestaande obligatie zal dan doorgaans dalen, zodat het rendement voor een nieuwe koper beter aansluit bij de markt.
Bij dalende vergelijkbare marktrentes kan het omgekeerde gebeuren en kan een bestaande vaste-couponobligatie juist in waarde stijgen.
Deze relatie moet wel op vergelijkbare risico’s worden toegepast. Kredietwaardigheid, liquiditeit, call-opties en andere contractvoorwaarden kunnen de prijs eveneens veranderen.
Voor de bredere productcontext leest u Waarom beleggen in obligaties?.
Duratie helpt inschatten hoe sterk de marktwaarde van een obligatie of obligatieportefeuille op renteveranderingen kan reageren. Een hogere duratie betekent doorgaans een grotere prijsgevoeligheid.
Een bekende vuistregel gebruikt modified duration. Bij een modified duration van 5 komt een stijging van het relevante rendement met 1 procentpunt grofweg overeen met ongeveer 5% koersdaling, voordat u rekening houdt met convexiteit en andere effecten.
Dat is een benadering, geen exact prijsvoorschrift. Bij grotere rentebewegingen wordt de afwijking groter en de uiteindelijke koers kan ook veranderen door kredietopslagen, liquiditeit en productvoorwaarden.
Langere looptijden gaan vaak samen met meer rentegevoeligheid, maar ook coupon en kasstroompatroon tellen mee.
De praktische vuistregel is ook door FINRA in de uitleg over duratie en rentestijgingen beschreven. Stel dat een obligatiefonds een gemodificeerde duratie rond 5 heeft. Als het relevante rendement ineens één procentpunt stijgt, suggereert de eerste-orde-benadering ongeveer 5% prijsverlies. Voor €10.000 fondswaarde is dat indicatief €500. De schatting laat couponinkomen, convexiteit, gelijktijdige veranderingen in kredietopslagen en kosten buiten beschouwing.
Bij een obligatie die u tot aflossing houdt, is de koersdaling onderweg een andere vraag dan of de emittent uiteindelijk de beloofde betalingen nakomt. Gedwongen verkoop vóór het einde, kredietproblemen en herbelegging van coupons kunnen het uiteindelijke resultaat daarom sterk veranderen.
Een staats- of bedrijfsobligatie kan in marktwaarde dalen doordat marktrentes stijgen terwijl de emittent nog steeds alle contractuele betalingen verricht. Dat is renterisico.
Kredietrisico gaat over de mogelijkheid dat de kredietkwaliteit verslechtert of betalingen niet volledig of tijdig plaatsvinden. Beide risico’s kunnen tegelijk in de marktprijs zitten.
Een vaste coupon betekent dus niet dat de marktwaarde tussentijds vaststaat. En een beloofde hoofdsom op einddatum blijft afhankelijk van de betalingsverplichting en voorwaarden van de emittent.
In waarderingsmodellen worden toekomstige kasstromen met een discontovoet naar een huidige waarde omgerekend. Als de vereiste rendementseis stijgt, daalt bij verder gelijke aannames de contante waarde van die kasstromen.
Daaruit volgt niet dat iedere renteverhoging aandelenkoersen automatisch laat dalen. Tegelijk kunnen winstverwachtingen, economische groei, marges, inflatie en risicopremies veranderen.
Bedrijven waarvan veel verwachte waarde ver in de toekomst ligt, kunnen in een waarderingsmodel gevoeliger zijn voor de discontovoet. Dat maakt ‘growth daalt bij renteverhogingen altijd harder dan value’ nog geen wet. De concrete ondernemingen en hun waarderingen blijven bepalend.
Rente kan vastgoed raken via financieringskosten en via de rendementseis waarmee toekomstige huurinkomsten worden gewaardeerd. Ondernemingen of projecten met veel schuld kunnen gevoeliger zijn voor hogere financieringslasten.
Tegelijk spelen huurontwikkeling, bezettingsgraad, inflatie, kredietvoorwaarden, locatie en aanbod mee. Een rentestijging leidt daarom niet in iedere periode tot dezelfde vastgoedcorrectie.
Voor andere kapitaalintensieve sectoren geldt hetzelfde: financiering is belangrijk, maar niet de enige variabele.
Dalende rentes kunnen de marktwaarde van bestaande vaste-couponobligaties ondersteunen, maar kunnen tegelijk betekenen dat coupons of aflossingen alleen tegen een lagere rente kunnen worden herbelegd.
Wie geregeld obligatiekasstromen ontvangt, heeft dus niet alleen koersrisico bij stijgende rentes, maar ook herbeleggingsrisico wanneer rentes dalen.
Een obligatieladder spreidt aflossingsmomenten over meerdere looptijden. Dat kan herbeleggingsmomenten verdelen, maar neemt rente-, krediet- en inflatierisico niet weg.
U hoeft het volgende centrale-bankbesluit niet goed te voorspellen om renterisico te beoordelen. Bij obligaties kunt u kijken naar duratie, looptijd, coupon, kredietkwaliteit en het moment waarop u het geld nodig heeft. Bij aandelen en vastgoed kunt u onderzoeken hoeveel de beleggingscase afhankelijk is van financiering en kasstromen ver in de toekomst.
Renterisico is daarmee één onderdeel van marktrisico. De praktische vraag is niet alleen wat de rente gaat doen, maar hoe uw portefeuille reageert wanneer rente en rendementsvereisten anders uitvallen dan verwacht.