Een obligatie is een schuldvordering. U leent geld aan een overheid, onderneming of andere uitgevende partij en krijgt daarvoor contractuele voorwaarden, bijvoorbeeld een coupon, een looptijd en een afspraak over aflossing. U bent daarmee schuldeiser en geen mede-eigenaar zoals bij een aandeel.
Obligaties hebben daardoor andere kasstromen en gevoeligheden dan aandelen. Dat kan in een portefeuille relevant zijn, maar zegt op zichzelf niets over veiligheid of geschiktheid voor een korte horizon.
De coupon is de rentevergoeding die volgens de voorwaarden van de lening wordt berekend. Het rendement dat u uiteindelijk behaalt hangt daarnaast af van de prijs die u betaalt, de resterende looptijd, eventuele aflossing of vervroegde aflossing, transactiekosten en de vraag of de uitgever zijn verplichtingen nakomt.
Koopt u een obligatie boven of onder de nominale waarde, dan kan het effectieve rendement dus duidelijk afwijken van de coupon. Ook een hoge coupon is geen bewijs dat een obligatie aantrekkelijk of veilig is; die vergoeding kan juist samenhangen met een hoger ingeschat kredietrisico.
Voor de uitgebreide mechaniek van coupon, yield, looptijd en senioriteit gaat u naar Beleggen in obligaties.
Neem een obligatie met een nominale waarde van € 1.000 en een vaste jaarlijkse coupon van € 30. Die coupon blijft volgens de contractvoorwaarden € 30, ook als de obligatie tussentijds voor € 950 of € 1.050 op de markt wordt verhandeld. De verhouding van de coupon tot de actuele aankoopprijs verandert daardoor. Het totale rendement hangt daarnaast af van de aflossingsprijs, resterende looptijd, eventueel opgebouwde rente en kosten. Dit voorbeeld is een uitleg van de kasstromen, geen actuele marktprijs of rendementsberekening.
Voor uw keuze is vooral belangrijk of u een voorspelbare contractuele betaling zoekt of de obligatie eerder wilt kunnen verkopen. Wie voortijdig moet verkopen, heeft immers ook te maken met de dan geldende marktprijs.
Bij een staatsobligatie leent u aan een overheid; bij een bedrijfsobligatie aan een onderneming. Binnen beide groepen bestaan grote verschillen in kredietwaardigheid, looptijd, valuta, verhandelbaarheid en contractvoorwaarden.
Een hoge kredietrating betekent dat de kredietrisico's volgens de gebruikte beoordelingsmethode lager worden ingeschat dan bij zwakker beoordeelde leningen. Het is geen garantie op terugbetaling. Ook landen kunnen betalingsproblemen krijgen, terwijl financieel sterke ondernemingen een ander risicoprofiel kunnen hebben dan zwakkere bedrijven.
De termen investment grade en high yield zijn daarom classificaties van kredietkwaliteit en marktsegment, geen eenvoudige ladder van “veilig” naar “gevaarlijk”.
Bij een bestaande obligatie met een vaste coupon beweegt de marktprijs doorgaans tegengesteld aan veranderingen in de marktrente. Als vergelijkbare nieuwe obligaties een hogere rente bieden, wordt een oudere lening met een lagere coupon minder aantrekkelijk tegen dezelfde prijs. Daalt de marktrente, dan kan het omgekeerde gebeuren.
De gevoeligheid hangt onder meer af van de resterende looptijd en de kasstromen. Langlopende obligaties met vaste betalingen reageren doorgaans sterker op renteveranderingen dan vergelijkbare kortlopende leningen. Wie vóór de einddatum verkoopt, kan daardoor meer of minder ontvangen dan de nominale waarde.
Voor de verdieping leest u Renterisico.
Kredietrisico gaat over de mogelijkheid dat de uitgever rente of aflossing niet volledig of niet op tijd betaalt. Inflatierisico ontstaat wanneer vaste toekomstige betalingen minder koopkracht krijgen. Liquiditeitsrisico speelt als u moeilijk een koper vindt tegen een prijs die u aanvaardbaar vindt.
Daarnaast kunnen obligaties vervroegd aflosbaar zijn, achtergesteld zijn of in een andere valuta luiden. Het label “obligatie” vertelt dus niet genoeg om het risico te bepalen.
Aandelen geven economisch eigendom in een onderneming; obligaties geven een contractuele schuldvordering. Daardoor reageren beide niet noodzakelijk hetzelfde op winstverwachtingen, rente, kredietcondities en economische schokken.
Die verschillende gevoeligheden kunnen relevant zijn bij asset allocatie. Maar “anders reageren” betekent niet dat obligaties een beursdaling altijd opvangen. In perioden met oplopende rente, inflatie- of kredietstress kunnen aandelen en obligaties tegelijk dalen.
Een vast obligatiepercentage op basis van leeftijd zegt weinig over uw werkelijke situatie. Kijk liever welke risico's en kasstromen een concrete obligatie of obligatieblootstelling aan de rest van uw portefeuille toevoegt.
Wanneer u geld op een bepaald moment nodig heeft, tellen de looptijd van de obligatie, de kredietkwaliteit, de rentegevoeligheid en uw eigen opnamedatum samen. Een obligatie die vóór uw doel afloopt heeft een andere tijdsstructuur dan een langlopende lening die u tussentijds mogelijk moet verkopen.
Een obligatieladder is één manier om verschillende afloopdata te structureren. Ook dat is een methode, geen garantie tegen verlies of herbeleggingsrisico.
Wilt u na obligaties ook de collectieve/passieve route beoordelen, lees dan Waarom indexfondsen en ETF's?.